Subsidies voor innovatie: waarom lopen bedrijven die mis?
Innovatie is belangrijk, daar is zo ongeveer iedereen het over eens. Zo ook de overheid. Immers die stimuleert innovatie door het toekennen van subsidies. En dit voor verschillende stadia van het innovatietraject. Maar, toch lopen heel veel bedrijven die subsidies mis, of laten ze die links liggen. Waarom? Om hier een antwoord op te vinden, hebben we onlangs met een adviseur van het Vlaamse IWT dit probleem eens bekeken. Alhoewel dit artikel gebaseerd is op de ervaringen in Vlaanderen, zullen de conclusies waarschijnlijk ook van toepassing zijn op andere regio’s…
Het is eigenlijk frustrerend, voor alle partijen: de overheid stelt veel middelen ter beschikking (voor een KMO-innovatieproject in Vlaanderen tot 200.000 EUR steun), maar er wordt te weinig gebruik van gemaakt. Voor bedrijven die subsidies aanvragen, is het soms een koude douche: hun dossier wordt niet goedgekeurd. En organisaties als het VIGC zien te weinig innovatieprojecten, te weinig goedgekeurde subsidies in hun sector. Daarom vonden we het nuttig om eens naar de oorzaken te gaan kijken. En in grote lijnen zijn dit er drie:
- Bedrijven denken véél te laat aan subsidies
- Is het werkelijk innovatief?
- Beperkte valorisatie
Véél te laat
Dit is een belangrijk punt dat we zelf ook al regelmatig in de praktijk zijn tegengekomen: bedrijven denken véél te laat aan het aanvragen van subsidies. Ook het afgelopen jaar zijn we enkele keren gecontacteerd door bedrijven die – volgens henzelf – iets zeer innovatiefs in mekaar hadden gestoken, een project waar ze al enkele jaren mee bezig waren, en nu dat het bijna klaar was voor lancering, vroeg men zich af of er subsidiemogelijkheden zijn. Rijkelijk te laat dus. Alle innovatiesubsidies gelden voor kosten gemaakt vanaf de datum van aanvraag… Dus geen kosten die de maanden of zelfs jaren voorheen zijn gemaakt.
De innovatiesubsidies zijn een soort risicokapitaal: ze dienen om de periode tussen de ontwikkeling van een product en de effectieve lancering te overbruggen, om zo bedrijven te stimuleren om – niet altijd risicoloze – innovatieprojecten op te zetten. Vandaar ook dat deze eigenlijk in de aanvangsfase van het project moeten aangevraagd worden, omdat ze niet met terugwerkende kracht werken.
Is het innovatief?
Dit is de tweede belangrijke reden van afkeuring: bedrijven vinden voor zichzelf wel dat een project innovatief is, maar eigenlijk is het dat niet. Naar de Vlaamse regio toe moeten we wel een onderscheid maken tussen KMO’s en grote ondernemingen. Voor de laatste groep zijn er enkel subsidies voor onderzoek en ontwikkeling, dus geheel nieuwe dingen. Voor KMO’s zijn er echter andere subsidies, enerzijds voor haalbaarheidsstudies, anderzijds voor innovatieprojecten.
Wat bij de KMO-innovatieprojecten zeer belangrijk is, is kennisopbouw ten behoeve van de realisatie van een project. Voor de KMO is er een kader voorzien waarin een innovatieproject moet vallen: De innovatie moet gericht zijn naar de KMO op zich, en niet naar de ganse sector. De activiteiten die bijdragen tot de kennisopbouw en de “creatieve intelligente toepassing ervan in nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen, diensten of concepten” komen in principe in aanmerking. Het louter investeren in nieuwe software of machines komt dus zeker niet in aanmerking.
Heel belangrijk in dit kader is ook dat het innovatieve karakter duidelijk, concreet beschreven wordt. Een te algemene, omfloerste omschrijving werkt niet. Het moet als het ware uit de buik van de onderzoeker komen. De subsidiedossiers worden ook door technische experts beoordeeld, zij verwachten dan ook een gedegen technische uitleg.
Beperkte valorisatie
Zoals reeds aangegeven, is subsidie voor innovatie een soort risicokapitaal. De overheid verwacht er dan ook iets voor terug: de ‘valorisatie’. Concreet komt het er op neer dat er door deze innovatie – indien ze lukt – een economische groei moet kunnen gerealiseerd worden en het zo een toegevoegde waarde levert voor de regio, in onze voorbeelden Vlaanderen. Vermits dit een belangrijk criterium bij de aanvraag en beoordeling is, moet dit dan ook goed – en realistisch – uitgewerkt, gedocumenteerd zijn.
Wie kan u helpen (in Vlaanderen)?
U staat er niet alleen voor. Er zijn heel wat mensen die u kunnen helpen. U kan uiteraard altijd al eens bij het VIGC informeren. Maar in Vlaanderen zijn er ook de regionale innovatiecentra die uitgebreide dienstverlening aanbieden in verband met het aanvragen van subsidies voor innovatie. Als u concreet aan een innovatieproject denkt, kan u ook altijd een voorbereidend gesprek aanvragen bij het IWT. Op basis daarvan heeft u dan al onmiddellijk een goed idee of uw project slaagkans heeft of niet. En er zijn ook commerciële bedrijven actief die kunnen helpen bij het schrijven van subsidiedossiers.
Conclusie?
Denk al van in de eerste fase aan innovatiesubsidies! In Vlaanderen heeft het IWT een heel arsenaal aan mogelijkheden, gericht naar KMO’s. Ook in andere regio’s is dit het geval. Een idee dat innovatief is, waarvoor er kennisopbouw moet gebeuren, waar een risico aan de ontwikkeling is verbonden en waarvoor er een interessant valorisatiepotentieel is, is zeker subsidieerbaar. Als er aan die basisvoorwaarden wordt voldaan, zijn er meerdere partijen die u bij de concrete uitwerking van aanvragen kunnen helpen.
Op de VIGC-website vindt u een pagina met een uitgebreid, maar waarschijnlijk nog onvolledig, overzicht met subsidiemogelijkheden en tegemoetkomingen geldig in Vlaanderen, alsook weblinks naar de mogelijkheden in de andere regio’s. Er zijn trouwens niet enkel subsidies voor innovatie, ook opleidingen, advies en zelfs exportpromotie kunnen gesubsidieerd worden.










